|
|
Tekst : Marianne Jager
Zielig In de grote parkeergarage bij het flatcomplex naast het onze hing al een hele tijd een zielige, kat rond. Eentje die luid miauwend met mensen mee opliep. Flatbewoonster Sabine had zich over hem ontfermd en de moeite genomen briefjes met een foto op te hangen met de vraag of iemand “ deze lieve poes mist ”. Deze zwerver kwam mij bekend voor. Gelukkig werd hij dus verzorgd.
Die kat was blijkbaar wanhopig op zoek naar een beter onderkomen. Uit nieuwsgierigheid maakte ik een afspraak met Sabine om samen te gaan kijken. Met het geluid van het openen en weer sluiten van de kofferbak van haar auto lokte ze de kat tevoorschijn. Al snel kwam hij luid miauwend aanhollen.
Sabine vulde de etensbakjes, maar de groezelige roodwitte kat gunde zich amper tijd om te eten. Hij bleef maar miauwend om onze benen heen draaien. Ik mocht hem zo maar oppakken en met zijn koude pootjes op mijn warme schoot zetten. Vervolgens sprong hij op Sabine’s rode auto, waar hij geduldig voor mijn digitale camera poseerde. Alsof hij besefte dat zijn toekomst ervan afhing. Intussen genoot hij met volle teugen van alle aandacht. Ja, deze kat moest daar weg. Dat was zeker! Sabine dacht dat het een krolse poes was. Alsmaar klagelijk miauwend over de grond rollen en geen balletje te zien. Maar ik zag een katerkop !
Wil niemand anders hem ? De respons op haar oproep bleef zonder resultaat. Sabine, zelf al met twee katten thuis, durfde er niet nog een bij te nemen. Ik belde Ronald van Soest van de Stichting Hart voor Kansloze Dieren. Hij beloofde, dat als niemand de kat wil, hij wel ergens voor onderdak zou zorgen. Sabine en ik hebben nog wat mensen benaderd maar niemand wilde hem. Omdat het zo’n aandoenlijk beest was, heb ik mijn man Henk heel lief gevraagd of wij zelf niet kunnen proberen dit behoeftige exemplaar aan ons viertal katten toe te voegen. Hij ging akkoord op voorwaarde dat hij zelf zou mogen beslissen over het al dan niet slagen van de poging. Een paar dagen later stopten Sabine en ik de kat in een mandje, waarna hij hem voor onderzoek naar de dierenarts brachten.
Otje, kat nummer 5 Otje zoals wij hem noemen, bleek een niet gechipte wat magere, gecastreerde kater te zijn van hooguit twee jaar. Gelukkig bleek hij kerngezond. De vorige roodwitte kat die wij hadden gevangen, bleek triest genoeg besmet met het dodelijke kattenleucosevirus, zie : “ Wat een kater ”, Majesteit 2004, nummer : 36.
De eerste dagen bij ons moest Otje in een bench om hem en ons viertal aan elkaar te laten wennen. Hij ging vreselijk te keer als hij ergens een van onze katten zag. Tot onze verbazing negeerde ons viertal op hun beurt hem volkomen. Al na een paar dagen kon hij uit de kooi. Otje sloofde zich erg uit. Binnen een week sliep hij ‘s avonds op de bank op Henk ’s borst of samen met onze oude Rooie bij mij op schoot. Ik ging dan lui onderuit liggen om een maximum aan schootruimte voor ze te maken.
Otje komt los Otje blijkt een ontzettend leuk en onstuimig beest te zijn. Onze jongste poes Mika geeft hem soms een kopje en zelfs ons moeilijke oosters poesje Fientje ziet hem wel zitten. Als zij hard tegen hem schreeuwt, gaat hij op zijn rug liggen, met zijn pootjes omhoog. Zij houdt wel van katers die haar respecteren.
Terugfluiten Maar laatst ging het even fout. Otje was zijn ondergeschikte plaats vergeten en zo aan het klieren dat het Fientje te machtig werd. Ze joeg hem met enkele meppen in volle vaart onder de bank. Daar heeft hij jammerlijk zitten brommen van angst. Toen hij eindelijk na vier uur met al zijn haren recht overeind tevoorschijn kwam, liep hij met een grote boog om Fientje heen, die hem negeerde. Kort na het incident keek zij mij heel angstig aan, bang om op haar donder te krijgen. Toen dat niet gebeurde, keek ze mij heel slijmerig verontschuldigend, aan, begrip vragend voor haar uitval. Alleen onze Fien kan zoveel uitdrukking in haar blik leggen !
Otje heeft niet veel geleerd van haar “ uitbrander ”. Nog steeds springt hij af en toe balorig bovenop Rooie en onze zwartwitte kater Sjarrel. Toen onze buurman toevallig een keer zag hoe verschrikt en verfomfaaid Sjarrel er na zo’n “ aanval ” uitzag, kwam hij haast niet meer bij van het lachen. Sjarrel zijn nogal lange, vettige haren stonden werkelijk alle kanten op. En het onthutste gezicht dat Sjar daarbij trok !
Otje woont nu drie weken bij ons. Hij miauwt niet meer zo. Hij is nog wat schrikachtig voor onbekende geluiden, maar maakt een voldane indruk. Als je Otje roept, komt hij enthousiast naar je toe en springt hij op schoot, Hij vindt het heerlijk om opgetild en op de arm genomen te worden. Na de maaltijd likken Ro, Fien en Ot samen gezellig, kop aan kop onze borden schoon. Als de balkondeur open gaat, geniet hij van de frisse lucht, door zijn neus naar buiten te steken. Hij zet echter geen stap buiten de deur!
Otje was het duidelijk niet gewend dat er iemand aan zijn lijf kwam. Je mocht alleen aan zijn kop komen. Hij beet als je aan zijn achterlijf, buik of pootjes kwam. Ik heb mij daar niets van aangetrokken. Tegenwoordig gaat dat al een stuk beter. Hij begint het zelfs al fijn te vinden, overal liefdevol gestreeld en geborsteld te worden. Dat is maar goed ook want hij verhaart ontzettend ! Het zal helemaal goed met hem komen ! Het is alleen wel jammer dat je hem niet kunt horen snorren. Sabine heeft Otje al een paar keer bij ons opgezocht. Zij is erg blij dat hij eindelijk gelukkig is, ook al mist ze hem wel in haar parkeergarage. |